Aangesloten bij de Nederlandse Orde van Advocaten   Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators
info@wet-advocaten.nl
Drachten (0512) 74 50 79 Dronten (0321) 31 55 54 Urk (0527) 68 45 01 Lemmer (0514) 74 50 30  

Het concurrentiebeding, meestal pas achteraf een probleem

Een concurrentiebeding wordt aan het begin van de arbeidsovereenkomst makkelijk aanvaard. De problemen ontstaan meestal pas bij uitdiensttreding. Uit een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2021 blijkt dit maar weer eens.

Wat waren de feiten?

Een werknemer is op 1 maart 2017 in dienst getreden bij autobedrijf Van Mossel. Met ingang van 1 oktober 2020 is de werknemer werkzaam als verkoopadviseur op de vestiging te Zaandam. Tussen werknemer en Van Mossel is toen een (nieuw) concurrentiebeding overeengekomen, waarin kort gezegd staat dat het de werknemer gedurende 12 maanden na einde van de arbeidsovereenkomst verboden is werkzaamheden te verrichten voor een concurrent binnen een straal van 50 kilometer vanaf de vestiging van werkgever waar werknemer werkzaam is. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd en wil met ingang van 1 november 2021 in dienst treden bij een ander autobedrijf, Ursem Barten, op de vestiging in Zwaag. Zwaag ligt binnen de straal van 50 kilometer.

Procedure

De werknemer vraagt in kort geding aan de kantonrechter om het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding buiten werking te stellen, te beperken of te schorsen. Volgens de werknemer heeft Van Mossel geen zwaarwegend bedrijfsbelang bij het concurrentiebeding en zal zijn indiensttreding bij Ursem Barten de positie van Van Mossel niet schaden. Werknemer vindt dat hij wel een zwaarwegend belang heeft om bij Ursem Barten te gaan werken. Hij heeft daar doorgroeimogelijkheden, een salarisverhoging, een kortere werkweek en een kortere reistijd. Volgens werknemer is de regionale werking van het concurrentiebeding tot 50 kilometer rondom Zaandam onredelijk beperkend.

Van Mossel betwist de vordering. Van Mossel voert aan dat zij in een uiterst concurrerende markt opereert en dat zij onevenredig zou worden benadeeld als werknemer met zijn kennis over vertrouwelijke bedrijfsinformatie en specifieke informatie over klanten in dienst zou treden bij concurrent Ursem Barten in Zwaag. Volgens Van Mossel beschikt werknemer over uitgebreide kennis over de specifieke werkwijze van Van Mossel, de prijsberekeningen, de marges en de relaties, en is het concurrentiebeding noodzakelijk om te voorkomen dat werknemer die kennis en informatie gebruikt bij Ursem Barten.

Wat vindt de rechter?

De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af. De kantonrechter weegt de belangen af. Volgens de kantonrechter heeft Van Mossel voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een bijzonder belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Van Mossel heeft goed onderbouwd dat werknemer in zijn functie als verkoopadviseur op de hoogte is van veel vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Ook is toegelicht dat Van Mossel een zeer specifieke werkwijze heeft wat betreft het verzamelen en inzetten van data, waarop verkopers door Van Mossel gericht worden getraind en geïnformeerd. Van Mossel heeft erop gewezen dat deze werkwijze, de kennis en het specifieke gebruik daarvan, waarmee werknemer bekend is, in de markt cruciaal is, haar positie op die markt bepaalt en doorslaggevend is voor succes in die markt. Van Mossel heeft ook voldoende gemotiveerd dat de kennis die werknemer bij Van Mossel heeft opgedaan en het inzicht dat hij heeft verkregen, merkonafhankelijk is en ingezet kan worden bij concurrenten.

De door werknemer gestelde belangen wegen daartegenover niet zwaar genoeg. Werknemer heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat hij bij Ursem Barten meer doorgroeimogelijkheden heeft dan bij Van Mossel. De door werknemer gestelde salarisverhoging bij Ursem Barten is niet onderbouwd. Datzelfde geldt voor de gestelde kortere werkweek. Ook indien wordt uitgegaan van de door werknemer gestelde salarisverhoging en een vermindering van de werktijd, dan is dit niet een zodanig grote of wezenlijke positieverbetering dat dit een voldoende belang oplevert tegenover het belang van Van Mossel. Verder weegt de kantonrechter mee dat werknemer zelf heeft opgezegd en dat het concurrentiebeding hem niet verhindert om als autoverkoper – of in een andere functie – bij een ander autobedrijf te gaan werken.

Tips

De uitspraak van de kantonrechter te Noord-Holland ligt in lijn met eerdere uitspraken. Een werknemer kan bij de kantonrechter verzoeken om gehele of gedeeltelijke vernietiging (of schorsing in kort geding) van het concurrentiebeding indien de werknemer onbillijk wordt benadeeld. Of sprake is van onbillijke benadeling, zal moeten volgen uit een belangenafweging.

Belangen van de werkgever kunnen zijn:

  • Vrees voor benadeling;
  • Mate van concurrentie, en;
  • Uitgevoerde investeringen in werknemer.

 

Belangen van de werknemer kunnen zijn:

  • Positieverbetering;
  • Gebondenheid aan branche, en;
  • Vrijheid van arbeidskeuze.

 

Het kan raadzaam zijn voor werkgever en werknemer om vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst afspraken te maken over het concurrentiebeding. Deze afspraken kunnen vastgelegd worden in een vaststellingsovereenkomst. Partijen kunnen bijvoorbeeld overeenkomen dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vervalt of dat het wordt omgezet in een relatiebeding. De werkgever kan ook toestemming geven aan de werknemer om bij de concurrent in dienst te treden, maar onder bepaalde voorwaarden.

Dit nieuwsbericht is opgesteld door Dieke Talsma, advocaat arbeidsrecht bij WET Advocaten & Mediators in Drachten en Dronten. Zij krijgt regelmatig te maken met vragen over bijzondere bedingen zoals het concurrentie-en relatiebeding. Heeft u vragen over dit artikel of over bijzondere bedingen, neem gerust vrijblijvend contact op met haar via d.talsma@wet-advocaten.nl of 0512-745079.

Aangesloten bij de Nederlandse Orde van Advocaten   Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators